Faalangst bij slimme kinderen: waarom ze vastlopen terwijl ze het wel kunnen
- RAAK Talentbegeleiding

- 13 uur geleden
- 3 minuten om te lezen

Ze stond voor de deur van de gymzaal. Rugzak aan, armen over elkaar. "Ik doe gewoon niet mee vandaag."
Ik kende Juul al een paar weken. Slim meisje. Scherp. Ze zag dingen die anderen misten. Maar elke keer als het spannend werd, deed ze een stap terug. Liever niets proberen dan het risico lopen dat het niet lukt.
Dat is faalangst. Niet luiheid. Niet tegendraadsheid. Gewoon: de angst dat wat je doet niet goed genoeg is.
Vermijden voelt als oplossen
Het lastige van faalangst is dat vermijden zo logisch voelt. Als je iets niet probeert, kun je ook niet falen. Geen toets maken betekent geen slechte cijfers. Niet meedoen betekent niemand die je ziet struikelen. Het brein vindt dat prima, het doet precies wat het moet doen: gevaar vermijden.
Maar ondertussen wordt de wereld steeds kleiner. Elke keer dat een kind iets vermijdt, bevestigt het voor zichzelf dat het kennelijk te gevaarlijk was. De volgende keer is de drempel nóg hoger.
Wat deze kinderen nodig hebben is niet een peptalk of een lijst met tips. Ze hebben iets nodig wat ze kunnen voelen. Iets wat zichtbaar maakt wat er van binnen gebeurt.
De opstelling op de vloer
Op een dag legde ik met haar een opstelling op de vloer. Vloerankers noemen we dat: vellen papier met tekeningen erop, elk met een betekenis. Geen ingewikkelde methode, juist heel concreet, heel zichtbaar.
Ze stond op het middelste anker. Stabiel, herkenbaar. Rechts achter haar lag een anker waarop een poppetje verder wegzakte. Er lag een haaienknuffel bij. Ze keek ernaar en zei meteen: "Dat ben ik als ik iets moet wat ik eng vind. Dan zak ik gewoon weg. En komt die haai me in mijn billen bijten." Ze lachte om haar eigen grapje, alsof ze het voor zich zag. Maar tegelijkertijd was ze bloedserieus.
Ze hoefde het niet uit te leggen. Ze zag het.
Links van haar lag een ander anker. Daarop trok het poppetje zichzelf omhoog. Ik stond ernaast op de tekening, met een kleine ladder in mijn handen, die ik naar haar uitreikte.
Ze stond er een tijdje naar te kijken.
"Die ladder," zei ze toen, "die moet niet te lang zijn. Anders durf ik hem niet te pakken."
De ladder
Dat ene zinnetje zei alles.
Ze had het probleem niet nodig dat ik het voor haar vertaalde. Ze wist het zelf al. De stappen die we van haar vroegen waren te groot. Niet omdat ze het niet kon, maar omdat ze het alleen moest zetten, en dat voelde als springen zonder te weten waar je landt.
Een kortere ladder. Kleinere sporten. En iemand die ernaast staat, niet om het over te nemen, maar om er gewoon te zijn.
Dat is wat deze kinderen nodig hebben.
Wat helpt er echt?
Getalenteerde kinderen met faalangst zijn vaak juist zo gevoelig omdat ze zoveel zien. Ze voelen feilloos aan wanneer iets van hen verwacht wordt, wanneer er gekeken wordt, wanneer het spannend wordt. En precies die scherpte maakt de drempel hoger.
Wat helpt is niet harder duwen. Wat helpt is de omgeving een beetje aanpassen. Een stap kleiner maken. Iemand ernaast zetten. Zichtbaar maken wat er van binnen gebeurt, zodat het niet langer een vaag gevoel is maar iets wat ze kunnen benoemen, kunnen zien, en uiteindelijk kunnen beïnvloeden.
Ze hoeft de ladder niet alleen te beklimmen. Ze hoeft hem alleen maar vast te pakken.
En soms is dat al genoeg om weer te beginnen.
Herken je dit bij jouw kind? Neem gerust contact op. We kijken met je mee.




Opmerkingen