top of page
Logo Raak wit door Add Valore.png

Hoogbegaafd kind: waarom slim zijn niet betekent dat het makkelijk gaat

“Hij is toch slim genoeg?”

Het is zo’n zin die vaak wordt uitgesproken, soms hardop, soms alleen in gedachten. En ergens snap ik hem. Want je ziet een kind dat snel denkt, verbanden legt, dingen oppikt zonder uitleg. Dus dan verwacht je ook dat het vanzelf gaat.


Alleen… zo werkt het niet.


Ik zie het zo vaak. Thuis aan de keukentafel, waar een kind eindeloos kan praten over iets wat hem interesseert, maar volledig vastloopt op een simpele taak. Op school, waar een leerling scherpe vragen stelt, maar zijn werk niet afmaakt. Of boos wordt, of afhaakt, of gewoon niets meer doet.

En dat wringt. Voor ouders. Voor leerkrachten. Want hoe kan het dat een kind dat zoveel kan, toch vastloopt?


Het antwoord zit niet in slim zijn. Het zit in hoe dat kind de wereld ervaart.

Hoogbegaafdheid wordt nog te vaak teruggebracht tot een IQ-score. Maar wie echt kijkt, ziet iets anders. Het gaat over een manier van denken, voelen en reageren.

Tessa Kieboom noemt dat het zijnsluik. De binnenkant. Dat wat je niet direct ziet, maar wat alles kleurt.


En als je daar oog voor krijgt, begin je gedrag anders te begrijpen.

Een belangrijk stuk daarin komt uit het werk van Kazimierz Dabrowski. Hij beschreef wat hij overprikkelbaarheden noemde. Geen stoornissen, maar een intensere manier van reageren op de wereld.


Je ziet dat bijvoorbeeld in hoe een kind beweegt en praat. Altijd “aan”, snel, energiek. Alsof er geen uitknop is. Of juist in hoe gevoelig het is voor geluid, licht of kleding. Dingen waar een ander overheen stapt, kunnen voor dit kind echt te veel zijn.


Daarnaast is er die enorme drang om te begrijpen. Vragen die blijven komen. Niet om lastig te zijn, maar omdat iets pas klopt als het ook écht klopt. En die rijke verbeelding, die prachtige ideeën oplevert, maar ook kan doorslaan in piekeren of doemdenken.


En misschien wel het meest voelbare: de emotionele intensiteit. Alles komt harder binnen. Onrecht raakt diep. Reacties kunnen groot zijn, omdat het van binnen ook groot voelt.


Als je dit bij elkaar ziet, snap je ineens waarom het soms schuurt. Dit kind beleeft de wereld niet een beetje intenser, maar fundamenteel anders.

En dan verwachten we dat ditzelfde kind zich moeiteloos redt in systemen die vooral draaien op structuur, planning en aanpassen.


Daar komen de executieve functies om de hoek kijken. Dat zijn de vaardigheden die helpen om gedrag te sturen. Denk aan plannen, beginnen aan een taak, overzicht houden, omgaan met emoties, doorzetten als iets lastig is.

Volgens onderzoek van onder andere Jelle Jolles ontwikkelen deze functies zich geleidelijk. En belangrijker nog: ze lopen niet automatisch gelijk met de cognitieve ontwikkeling.


Dus je kunt een kind hebben dat op hoog niveau denkt, maar nog niet goed kan plannen. Dat precies begrijpt wat er moet gebeuren, maar niet in beweging komt. Dat voelt dat iets onrechtvaardig is, maar nog niet weet hoe het dat op een rustige manier kan uiten.


Daar ontstaat de kloof.

Wat je dan ziet aan de buitenkant, wordt vaak verkeerd geïnterpreteerd.

Een kind dat uitstelt, lijkt ongemotiveerd. Een kind dat boos reageert, lijkt lastig. Een kind dat afhaakt, lijkt lui.


Maar als je beter kijkt, zie je iets anders.

Je ziet een kind dat het overzicht kwijt is. Dat overspoeld raakt door prikkels. Dat de lat zo hoog legt, dat beginnen bijna onmogelijk wordt. Of dat simpelweg geen aansluiting voelt bij wat er gevraagd wordt.


Voor ouders en leerkrachten is dit ingewikkeld. Je ziet namelijk beide kanten. Je ziet wat erin zit, en je ziet wat er niet uitkomt.


En dan ligt corrigeren voor de hand. Aansporen. Structuur bieden. Verwachtingen uitspreken.


Alleen helpt dat niet altijd.

Wat deze kinderen nodig hebben, is dat we eerst begrijpen wat er van binnen gebeurt. Dat we niet alleen kijken naar wat ze doen, maar naar waarom ze doen wat ze doen.


Dat we uitleg geven die verder gaat dan “omdat het zo moet”. Dat we helpen bij het opdelen van stappen, bij het omgaan met spanning, bij het leren herkennen van hun eigen signalen.


En misschien nog wel het belangrijkste: dat ze ergens zichzelf kunnen zijn, zonder continu het gevoel te hebben dat ze moeten aanpassen.

Want dat aanpassen… dat doen veel van deze kinderen al lang.

Totdat het niet meer lukt.


Als je eenmaal ziet hoe intens hun binnenwereld is, verandert je blik.

Dan zie je geen kind dat moeilijk doet.Maar een kind dat probeert zijn weg te vinden in een wereld die niet altijd past bij hoe hij die ervaart.

En dan wordt de vraag niet meer: “waarom gaat het niet vanzelf?”Maar: “wat heeft dit kind nodig om tot zijn recht te komen?”


Bronnen en onderbouwing:

  • Theorie van overprikkelbaarheden – Kazimierz Dabrowski

  • Het zijnsluik van hoogbegaafdheid – Tessa Kieboom

  • Ontwikkeling van executieve functies – Jelle Jolles

Herken je hierin je kind of leerling, dan weet je dat er meer speelt dan wat je aan de buitenkant ziet. Dat vraagt niet om harder duwen, maar om anders kijken.

Opmerkingen


bottom of page