De geheime code van een groep

Wat het bad-apple-experiment ons kan leren over begaafde pubers en de collega's die ze later worden
De bad apple zat vroeger misschien wel bij jou in de klas. Je kent het groepje vast. Eén leerling trekt het project, werkt hard, neemt het voortouw en heeft overal een mening over. Een ander wordt gedurende het project steeds stiller, brengt minder ideeën in en beperkt zich uiteindelijk tot zijn eigen stukje. Als je alleen naar het gedrag kijkt, lijkt het duidelijk waar het probleem zit. Die ene leerling doet alles, de ander haakt af. Maar is het werkelijk zo eenvoudig?
Deze zomer las ik The Culture Code van Daniel Coyle. Een van de voorbeelden die bleef hangen, was het bekende bad apple experiment. Eén persoon bleek genoeg om de prestaties van een hele groep behoorlijk te laten kelderen. Fascinerend op zichzelf, maar de vraag die daarna bij mij bleef hangen, vind ik eigenlijk nog interessanter. Wie is hier dan de slechte appel?
Het lijkt de stille leerling
Kijk nog eens naar dat groepje getalenteerde VWO-leerlingen. Eén leerling zegt steeds minder, neemt nauwelijks initiatief meer en ideeën die er misschien wel zijn, worden niet uitgesproken. Tijdens het groepswerk ontstaat langzaam de gedachte: laat maar, ik doe mijn eigen stukje wel.
Dat gedrag heeft effect op de groep. Talent, creativiteit en denkkracht blijven onbenut en de andere groepsleden moeten meer doen. Je zou dus zomaar kunnen concluderen dat deze leerling niet goed samenwerkt. Maar gedrag is informatie, geen karaktereigenschap. Daarmee wordt iets anders interessant. Was deze leerling vanaf het begin zo stil?
Kijk eens naar de ruimte tussen de leerlingen
Vaak gebeurde er daarvoor al iets. Een groepsgenoot nam steeds vaker het voortouw. Op zichzelf is daar helemaal niets mis mee. Deze leerling werkt hard, ziet snel wat er nodig is, heeft goede ideeën, voelt zich verantwoordelijk voor het resultaat en is bereid daar veel voor te doen. Eigenschappen die we bij getalenteerde jongeren vaak juist waarderen.
Maar stel dat dezelfde leerling ook op vrijwel ieder idee van een ander reageert. Dat kan beter. Dat klopt niet helemaal. Ik zou het anders doen. Laat mij dat stukje maar maken. Ook daar hoeft helemaal niets kwaads achter te zitten. Misschien wil deze leerling gewoon heel graag een goed resultaat behalen, ziet hij razendsnel hoe iets beter kan of voelt hij zich enorm verantwoordelijk voor het geheel.
Kijk dan voor een moment niet naar zijn individuele prestatie, maar naar wat er rondom hem gebeurt. Een idee inbrengen betekent inmiddels dat je vrijwel zeker commentaar krijgt. Een andere aanpak voorstellen kost steeds iets meer energie. Iets proberen wat misschien niet onmiddellijk perfect is, wordt spannend. Langzaam verandert de groep. Niet met ruzie of een groot conflict. Het wordt gewoon steeds een beetje stiller.
Waar doe je het eigenlijk voor?
Hard werken is natuurlijk niet het probleem. Sterker nog, we willen jongeren die zich inzetten, verantwoordelijkheid nemen en iets moois willen neerzetten. Twee leerlingen kunnen aan de buitenkant precies hetzelfde gedrag laten zien, terwijl er vanbinnen iets heel anders speelt.
De ene werkt hard omdat hij wil dat het project goed wordt. Als iemand anders vervolgens met een fantastisch idee komt, is dat alleen maar winst. Het resultaat wordt er immers beter van. Voor de ander kan hard werken ook verbonden raken met iets anders, bijvoorbeeld gezien willen worden als degene die het meeste doet, het snelste denkt of de beste ideeën heeft. Dan verandert er iets. Een goed idee van een ander is niet meer alleen een bijdrage aan het gezamenlijke resultaat. Het kan ongemerkt ook iets doen met je eigen positie.
Dat verschil is van buitenaf nauwelijks zichtbaar. Beide leerlingen werken hard, beide leveren kwaliteit en beide kunnen oprecht zeggen dat ze gewoon willen dat het goed komt. Je ziet het verschil eerder in wat er gebeurt wanneer iemand anders iets toevoegt. Wordt een idee opgepakt en verder gebracht? Kan een ander iets beter weten zonder dat daar onmiddellijk iets tegenover hoeft te staan? Kan succes werkelijk van de groep zijn? Of moet er toch nog iets worden gecorrigeerd, toegevoegd of overgenomen?
Dat hoeft niet bewust of berekenend te zijn. Iemand die veel behoefte heeft aan erkenning, kan zelf volledig ervaren dat hij vooral verantwoordelijkheid neemt. Als ik het niet doe, gebeurt het niet. Misschien gaat dat na verloop van tijd zelfs kloppen. Daarom vind ik de vraag naar intentie uiteindelijk minder interessant dan de vraag naar effect. Wat doet mijn manier van bijdragen met de bijdrage van de mensen om mij heen?
De geheime code
Ondertussen leren deze leerlingen iets wat helemaal niet in de opdracht staat. Ze leren de geheime code van hun groep. Iedere groep heeft zo'n code. Het zijn ongeschreven regels die niemand aan het begin uitlegt, maar die je razendsnel ontdekt door mee te doen.
Je leert of het zin heeft om een idee in te brengen, of je bijdrage serieus wordt genomen, of je iets mag zeggen wat nog niet helemaal doordacht is en wat er gebeurt wanneer je een fout maakt. Je ontdekt of iemand anders beter mag zijn dan jij, of je jezelf moet bewijzen om gezien te worden en of je een ander kunt laten schitteren zonder zelf kleiner te worden. Ergens daaronder ligt misschien wel de belangrijkste vraag: is het hier veilig genoeg om werkelijk iets van mezelf te laten zien?
Op papier werken deze leerlingen aan een presentatie, een onderzoeksopdracht of een gezamenlijk project. Ondertussen leren ze iets veel fundamentelers. Ze leren hoe samenwerken voelt.
“Ik moet hier ook alles alleen doen”
Dan kan er een bijzondere beweging ontstaan. De ene leerling neemt steeds meer verantwoordelijkheid, terwijl de anderen steeds minder inbrengen. Daardoor komt er daadwerkelijk steeds meer werk bij die ene leerling terecht, totdat hij op een gegeven moment oprecht kan verzuchten dat hij dit project ook helemaal alleen moet trekken.
Vanuit zijn perspectief klopt dat misschien zelfs. Hij doet immers ontzettend veel. Alleen vertelt het aantal gemaakte PowerPoint-dia's niet het hele verhaal. Waar zijn de ideeën van de anderen gebleven? Waarom neemt niemand meer initiatief? Waarom moet hij inmiddels werkelijk overal achteraan?
Er ontstaat een zichzelf versterkende beweging. Hoe meer één leerling naar zich toetrekt, hoe minder ruimte anderen ervaren. Hoe minder anderen inbrengen, hoe noodzakelijker het voor die leerling lijkt om nóg meer over te nemen. Uiteindelijk ontstaat precies datgene wat zijn gedrag lijkt te bevestigen: zie je wel, zonder mij gebeurt hier niets. Tegelijkertijd krijgt de leerling die zich heeft teruggetrokken een heel andere bevestiging: zie je wel, mijn bijdrage is hier toch niet nodig.
Twee mensen in dezelfde groep kunnen zo twee totaal verschillende ervaringen hebben, terwijl het patroon tussen hen zichzelf steeds steviger maakt.
Dus wie is de bad apple?
Daar wordt het bad apple experiment voor mij pas echt interessant. Misschien zoeken we namelijk te snel naar één slechte appel. De leerling die zich terugtrekt, beïnvloedt de groep. Zijn kennis en ideeën verdwijnen en anderen moeten meer doen. Degene die steeds meer naar zich toetrekt, beïnvloedt de groep ook. Misschien werkt hij keihard en levert hij prachtig werk, terwijl de mensen om hem heen steeds minder van zichzelf laten zien.
Misschien zit het probleem uiteindelijk niet volledig in één van beiden. Ook de interactie tussen mensen kan bederven. Er kan een patroon ontstaan waarin de één steeds groter wordt en de ander steeds kleiner. Wanneer niemand dat patroon onderbreekt, gaat de hele groep zich er langzaam naar organiseren.
Daarmee verandert ook de vraag voor een docent of begeleider. Niet alleen wie hier te weinig doet of wie hier te veel domineert, maar vooral wat er tussen deze leerlingen gebeurt waardoor niet iedereen meer kan bijdragen wat hij in huis heeft.
Het volgende groepje
Op een gegeven moment is het project klaar. De presentatie is gegeven, het cijfer is binnen en er komt een nieuwe opdracht met nieuwe groepjes. Alleen beginnen de leerlingen niet helemaal opnieuw. Ze nemen iets mee.
De stille leerling heeft misschien geleerd om voorzichtig te zijn met wat hij inbrengt. De leerling die alles trok heeft ook iets geleerd: als ik wil dat het goed gebeurt, kan ik het beter zelf doen. Een derde leerling heeft misschien ontdekt dat hij zich er beter buiten kan houden, omdat dat het minste gedoe oplevert.
Dat is waarom veiligheid binnen groepen voor mij zoveel verder gaat dan een prettige sfeer. We leren niet alleen van wat we samen doen, maar ook van hoe het voelt om met anderen samen te werken. Die ervaring wordt onderdeel van de code waarmee we het volgende groepje binnenstappen.
Misschien begon het nog veel eerder
Daaronder zit nog een laag die ik misschien wel het meest fascinerend vind. Wie zegt namelijk dat de leerling die nu alle ruimte inneemt, altijd die leerling is geweest? Misschien zat hij drie jaar geleden aan de andere kant van de tafel. Misschien was hij degene wiens ideeën steeds werden weggewuifd, die niet aan bod kwam en die ontdekte dat een goed idee hebben blijkbaar niet voldoende was. Je moest sneller zijn, stelliger worden en zorgen dat niemand ertussen kwam.
Gedrag dat vandaag dominant overkomt, kan ooit begonnen zijn als bescherming. Niet als karaktertrek, maar als een strategie die ergens heeft gewerkt. Als ik voldoende weet, voldoende doe en voldoende controle houd, kan niemand mij meer buitenspel zetten.
Zo kan een geheime code van groep naar groep worden doorgegeven. Niet omdat iemand op een dag besluit een volgende groep onveilig te maken, maar omdat mensen meenemen wat ze eerder hebben geleerd over wat nodig is om binnen een groep overeind te blijven.
Wat als je veel voelt, maar niet goed weet wat je ermee moet?
Voor sommige getalenteerde jongeren komt daar nog iets bij. Ze kunnen sterk gericht zijn op wat er tussen de regels door gebeurt. Een kleine correctie, een veranderende toon, wie wel of niet wordt meegenomen of een opmerking die nét anders binnenkomt dan de woorden op zichzelf doen vermoeden. Sommige jongeren blijven daar nauwelijks bij stilstaan. Andere jongeren kunnen er nog uren over nadenken.
Dat betekent niet automatisch dat hun interpretatie klopt. Een gevoel dat iemand jouw idee stom vindt, bewijst niet dat de ander dat werkelijk vindt. Net zoals het gevoel dat iemand je buitenspel probeert te zetten nog niets zegt over de intentie van die ander. Het omgekeerde geldt echter ook. Dat iets niet bewezen is, betekent niet dat we het moeten wegwuiven.
Gedrag is informatie. Wanneer een leerling die normaal gesproken veel ideeën heeft ineens nauwelijks meer iets zegt, word ik daarom nieuwsgierig. Wat heb je gezien? Wat gebeurde er? Wat maakte dat je daarna besloot niets meer te zeggen? Wat voelde je op dat moment?
Juist voor jongeren die sociaal minder gemakkelijk hun positie innemen, is dat belangrijk. Niet ieder kind dat iets scherp aanvoelt, beschikt ook over de sociale lenigheid om het ter plekke te benoemen, te toetsen en vervolgens weer los te laten. Soms trekt een leerling zich terug terwijl er vanbinnen juist ontzettend veel gebeurt.
Wat doe ik dan als coach?
Dan zit zo'n jongere bij mij. Boos misschien, verdrietig of vooral heel stellig. Het heeft toch geen zin meer om iets te zeggen. Op zo'n moment begin ik niet met vertellen wat hij de volgende keer anders moet doen. Ik luister.
Ik luister niet om onmiddellijk vast te stellen dat zijn versie van het verhaal dé waarheid is. Ik luister omdat zijn ervaring echt is. Als jij je buitengesloten, gecorrigeerd of kleiner gemaakt hebt gevoeld, dan heeft dat iets met je gedaan, ook wanneer de ander het misschien helemaal niet zo heeft bedoeld. Dat gevoel erkennen betekent niet automatisch dat we ook iedere conclusie die eraan gekoppeld is voor waar aannemen.
Daarna gaan we samen kijken. Wat gebeurde er precies? Wat werd er gezegd? Wat zag je? Wat voelde je? Welke betekenis gaf je daaraan? Weten we ook wat de ander bedoelde of hebben we dat zelf ingevuld? Dat onderscheid is belangrijk, omdat wat je waarneemt, wat je voelt en wat je denkt dat de ander bedoelt niet altijd hetzelfde is.
Vervolgens zoeken we naar wat deze jongere nodig heeft. Niet naar dé juiste sociale vaardigheid uit een boekje, maar naar iets wat bij hem past. Misschien is dat leren om op het moment zelf één vraag te stellen. Misschien is het een grens aangeven zonder een heel betoog te hoeven houden. Misschien is het herkennen wanneer je beter even niets kunt doen. Het kan ook betekenen dat je leert verdragen dat iemand anders een mening over je heeft zonder dat je die onmiddellijk hoeft recht te zetten.
Daar praten we niet alleen over. We oefenen ermee en maken het fysiek. We zetten situaties neer en onderzoeken wat er in het lijf gebeurt wanneer iemand dichtbij komt, wanneer je ruimte inneemt, wanneer je letterlijk een stap naar achteren zet of juist naar voren. Hoe staat je lijf wanneer je jezelf klein maakt? Wat verandert er wanneer je steviger gaat staan, ademt en je eigen ruimte weer voelt?
Je kunt namelijk honderd keer begrijpen dat je een grens mág stellen en hem op het moment zelf toch niet voelen. Dan heb je weinig aan nog meer uitleg. Soms moet je eerst weer ervaren dat je stevig kunt staan voordat de woorden vanzelf meekomen.
En ja, soms gebruiken we een beetje hokus pokus. Tenminste, zo mag het er van buiten best uitzien. Vooral wanneer we aan de slag gaan met NEI, Reiki of kinesiologie. Soms blijft een ervaring namelijk hangen. Rationeel weet je allang dat een situatie voorbij is, maar zodra er iets gebeurt wat erop lijkt, reageert je lijf alsof je weer midden in dat oude groepje zit. Dan helpt nóg meer analyseren niet altijd. Dan zoeken we een manier om het gevoel losser te maken van wat er ooit gebeurde, zodat een oude ervaring niet iedere nieuwe samenwerking alvast inkleurt.
Niet om gevoelens weg te poetsen. Gevoelens hebben ons juist iets te vertellen. Wel om ervoor te zorgen dat een oud gevoel niet iedere keer opnieuw aan het stuur hoeft te gaan zitten.
Uiteindelijk wil ik niet dat een jongere leert hoe hij ieder groepsproces kan controleren of hoe hij ervoor kan zorgen dat niemand hem ooit meer raakt. Ik wil dat hij ervaart dat hij kan voelen wat er tussen mensen gebeurt zonder zichzelf daarin kwijt te raken. Dat hij kan onderzoeken of zijn waarneming klopt, kan kiezen wanneer hij iets zegt en wanneer niet, zijn grens kan voelen en ruimte kan innemen zonder die van een ander af te pakken.
Als een eerdere groep hem heeft geleerd dat hij zichzelf beter klein kan maken, wil ik hem laten ervaren dat het ook anders kan.
Dat is voor mij weerbaarheid. Niet harder worden, maar steeds gemakkelijker terug kunnen keren naar je eigen stevigheid.
Deze leerlingen worden onze collega's
En misschien herken je inmiddels helemaal geen VWO-groepje meer in dit verhaal. Misschien zie je ineens je laatste teamoverleg voor je.
Dat is precies waarom dit verhaal voor mij niet ophoudt bij school. Over een paar jaar zitten deze leerlingen niet meer met hun laptop rond een tafel in 5 VWO. Ze zitten in een teamoverleg, een projectgroep of een werkgroep. Misschien worden ze docent, zorgprofessional, beleidsadviseur, manager of leidinggevende.
Ook daar zien we dezelfde bewegingen. De collega die altijd als eerste reageert, degene die ontzettend veel werk verzet en degene die ieder probleem ziet en onmiddellijk wil oplossen. Maar ook degene die tijdens een vergadering steeds minder zegt. De professional met uitstekende ideeën die ze pas na afloop bij het koffieapparaat deelt. Of degene die op een gegeven moment denkt: laat maar, als jij het toch beter weet, doe jij het maar.
Ook daar beoordelen we gedrag gemakkelijk individueel. Zij toont tenminste eigenaarschap. Hij moet zich wat meer laten zien. Zij is ontzettend betrokken. Hij is wel erg passief geworden. Misschien klopt het allemaal, maar misschien missen we iets wanneer we alleen naar het individu kijken.
Het zit vaak in kleine dingen
Een groepscultuur verandert zelden door één spectaculaire gebeurtenis. Veel vaker zit het in kleine, terugkerende interacties. Wie krijgt ruimte om een gedachte af te maken? Wat gebeurt er met een idee dat nog niet perfect is? Hoe reageren we wanneer iemand iets anders ziet? Wordt kennis gedeeld om de groep verder te brengen of wordt kennis ook een manier om positie in te nemen? Wie krijgt erkenning wanneer iets goed gaat? Kunnen we een succes van een ander werkelijk vieren?
En wat gebeurt er wanneer iemand zich terugtrekt? Zien we alleen iemand die minder bijdraagt of worden we ook nieuwsgierig naar wat er daarvoor is gebeurd?
Geen van die momenten hoeft op zichzelf groot genoeg te zijn om alarmbellen te laten rinkelen. Bij elkaar vormen ze wel de code. Mensen leren waar ruimte zit en waar niet, wanneer spreken iets oplevert en wanneer zwijgen gemakkelijker is, en of verschil nieuwsgierigheid oproept of strijd. Uiteindelijk gaan mensen hun gedrag daarop aanpassen.
Een lerende organisatie ontstaat tussen mensen
Veel scholen, instellingen en bedrijven willen een professionele, lerende organisatie zijn. We willen professionals die eigenaarschap tonen, kritisch denken, initiatief nemen, feedback geven, hun expertise inzetten en samen leren. Daarvoor is een verzameling goede professionals echter niet voldoende. Je kunt een kamer vullen met enorm getalenteerde mensen en toch een middelmatig team krijgen.
De echte uitdaging zit in wat er tussen die mensen gebeurt. Kunnen verschillende karakters, talenten, belangen en perspectieven elkaar versterken? Kan een goed idee van jou bestaan zonder dat het iets afdoet aan mij? Kan mijn expertise ruimte laten voor die van jou? Kunnen we werkelijk over de inhoud praten zonder dat verschil onmiddellijk een strijd om gelijk wordt? Kunnen we successen samen vieren?
Misschien moeten we daarom niet alleen kijken naar hoeveel iemand individueel presteert, maar ook naar wat iemands aanwezigheid doet met de prestaties van de mensen om hem heen. Worden mensen in mijn aanwezigheid groter? Brengen ze meer van hun kennis, ideeën en talent in of steeds minder?
Misschien zit dáár wel de echte cultuurcode.
Als iemand uit de relatie stapt
Dan komen we weer terug bij die stille leerling, of inmiddels die stille collega. Wanneer iemand nauwelijks nog iets inbrengt, ligt de reflex voor de hand om diegene weer actiever te willen maken. Meer eigenaarschap, meer initiatief, meer verantwoordelijkheid.
Misschien beginnen we dan aan het verkeerde einde. Iemand kan zijn taken nog prima uitvoeren en tegelijkertijd al lang uit de relatie zijn gestapt. Dan betekent ‘doe jij het maar’ niet noodzakelijk dat iemand geen zin heeft. Het kan ook betekenen: ik heb geleerd dat mijn bijdrage hier weinig toevoegt.
Als dát aan de hand is, helpt harder trekken waarschijnlijk niet. Dan ligt er eerst iets anders. Niet de vraag hoe we iemand weer aan het werk krijgen, maar wat er tussen ons is gebeurd waardoor diegene is gestopt iets van zichzelf in te brengen. Daarna volgt misschien wel de moeilijkste vraag: wat moet er in de relatie herstellen zodat iemand dat weer wíl?
Dat vraagt iets van degene die zich heeft teruggetrokken, maar net zo goed van de andere groepsleden, de begeleider, de leidinggevende en het systeem eromheen. Veiligheid kun je niet van één persoon verlangen. Die ontstaat tussen mensen.
Welke code leren we elkaar?
Misschien is dat uiteindelijk wat het bad apple experiment bij mij heeft losgemaakt. Niet de behoefte om in groepen op zoek te gaan naar slechte appels, maar eigenlijk juist het tegenovergestelde. Het heeft me nieuwsgierig gemaakt naar de codes die mensen samen ontwikkelen, naar gedrag als informatie en naar wat er gebeurt wanneer verschillende talenten elkaar ontmoeten.
Vooral blijf ik hangen bij de vraag waarvoor we het uiteindelijk doen. Niet om zelf de slimste leerling van het groepje te zijn, later de hardst werkende professional aan tafel te worden of ervoor te zorgen dat we onmisbaar zijn. We werken samen omdat we iets willen bereiken wat geen van ons alleen kan.
Misschien moeten we onze jongeren daarom niet alleen leren hoe je samenwerkt. We moeten ze laten ervaren hoe het is wanneer samenwerking ervoor zorgt dat iedereen méér van zichzelf durft mee te brengen. Dat je zelf goed mag zijn zonder een ander kleiner te hoeven maken. Dat een ander mag schitteren zonder dat jouw licht daardoor minder wordt. Dat een groep op zijn sterkst is wanneer talent niet alleen bij elkaar wordt opgeteld, maar elkaar gaat versterken.
Want de geheime code die jongeren vandaag in hun klas leren, kan zomaar de cultuurcode zijn die ze morgen meenemen naar onze organisaties.





Opmerkingen