Hoogbegaafd of onveilig? Wat gedrag ons kan vertellen over wat een jongere nodig heeft
- RAAK Talentbegeleiding

- 2 dagen geleden
- 9 minuten om te lezen

"Eerst was ik hoogbegaafd. En nu heb ik ineens autisme."
Dat zei een jongere die ik begeleidde, na een nieuw psychologisch onderzoek. Die ene zin bleef me bij.
Want natuurlijk werk je niet eerst hoogbegaafd en word je daarna autistisch. Hoogbegaafdheid en autisme kunnen naast elkaar bestaan, en onveiligheid veroorzaakt geen autisme. Toch zette zijn opmerking me aan het denken. Wat gebeurt er met de ontwikkeling van talent wanneer een jongere zich lange tijd niet veilig voelt? En hoeveel van het gedrag dat we zien, vertelt ons iets over wie iemand is en hoeveel over de omstandigheden waarin die persoon op dat moment probeert te functioneren?
Van hoogbegaafd naar begaafd?
Deze jongere had veel meegemaakt: gepest worden, teleurstellingen op school, en steeds meer moeite om te laten zien wat hij eigenlijk kon. Bij een eerder intelligentieonderzoek scoorde hij op een niveau dat we hoogbegaafd zouden noemen. Jaren later lag zijn gemeten IQ rond de 120, nog steeds bovengemiddeld, maar niet meer hoogbegaafd.
Betekent dat dat hij ineens minder intelligent was geworden? Die conclusie kun je op basis van twee metingen niet trekken. Een intelligentietest meet geen vaststaand gegeven, zoals een thermometer die temperatuur meet. Het is een prestatie op een bepaald moment, die mede wordt bepaald door hoe iemand op dát moment kan functioneren.
En juist daar wordt het interessant. Want in de tussenliggende jaren was deze jongen vooral bezig geraakt met iets anders dan leren en ontdekken: overeind blijven.
Een brein dat zich onveilig voelt, heeft andere prioriteiten
Leren vraagt veel van ons brein: aandacht richten, informatie vasthouden in je werkgeheugen, flexibel denken, fouten verdragen, iets nieuws durven proberen, schakelen wanneer een aanpak niet werkt. Dat zijn allemaal zogeheten executieve functies.
Onderzoek laat zien dat stress juist een deel van deze functies onder druk kan zetten. Een veelgeciteerde meta-analyse van psycholoog Grant Shields en collega's, waarin tientallen studies werden samengevoegd, vond dat acute stress het werkgeheugen en het cognitief flexibel kunnen schakelen negatief beïnvloedt.
Dat betekent niet dat iemand onder stress zijn intelligentie kwijtraakt. Het betekent wél dat wat iemand "in potentie" kan en waar diegene op dat moment "toegang toe heeft", niet altijd hetzelfde zijn.
Dat verschil vind ik bij hoogbegaafde jongeren belangrijk. We kijken makkelijk naar hun cognitieve mogelijkheden en denken: "hij kan het toch?" Maar kunnen is niet hetzelfde als beschikbaar hebben. Een jongere kan over een groot cognitief potentieel beschikken en tegelijk zoveel energie kwijt zijn aan spanning, waakzaamheid, controle houden of zichzelf beschermen, dat er veel minder ruimte overblijft om dat potentieel te gebruiken. En wanneer dat lang duurt, raakt dat niet alleen het leren. Het raakt ook de "ontwikkeling van talent".
En dan zien we autistische kenmerken
Bij deze jongere werden ondertussen steeds meer gedragingen zichtbaar die passen bij autisme: hij trok zich terug, analyseerde veel, had sterke behoefte aan controle en structuur, en veranderingen waren moeilijk voor hem. Uiteindelijk kreeg hij een autismediagnose.
Die diagnose stel ik hier niet ter discussie ,hoogbegaafdheid en autisme komen regelmatig samen voor. Maar een diagnose is voor mij niet het einde van het onderzoek. Een interessante vervolgvraag is: "onder welke omstandigheden worden bepaalde kenmerken sterker, of juist minder sterk, zichtbaar?"
Onderzoek laat een stevig verband zien tussen angst en "intolerance of uncertainty" moeite met onzekerheid en onvoorspelbaarheid, bij autistische mensen. Een meta-analyse van Jenkinson, Milne en Thompson (2020), waarin tien onderzoeken werden samengevoegd, vond hiertussen een sterke samenhang. Recenter onderzoek van Bird en collega's (2024) bracht ook restrictief en repetitief gedrag in beeld, en vond verbanden tussen angst, moeite met onzekerheid én dat gedrag. Belangrijk is dat de onderzoekers waarschuwen: we moeten voorzichtig zijn met het simpelweg willen verminderen van zulk gedrag, want het kan óók een functie hebben in het omgaan met spanning en onzekerheid.
Dat vind ik wezenlijk. Want daarmee verschuift onze blik van:
"Dit gedrag hoort bij zijn autisme"
naar:
"Wat vertelt dit gedrag ons óók over wat deze jongere op dit moment nodig heeft?"
Hetzelfde gedrag kan verschillende verhalen vertellen
Behoefte aan controle, terugtrekken, veel analyseren, vasthouden aan structuur, moeite met veranderingen: dit kan bij autisme horen. Maar dit soort gedrag komt niet uitsluitend bij autisme voor. En ook bij iemand die daadwerkelijk autistisch is, hoeft een kenmerk niet onder alle omstandigheden even sterk aanwezig of even belemmerend te zijn.
Dat is een cruciaal onderscheid. Niet: "veiligheid laat autisme verdwijnen." Maar: "de omstandigheden kunnen invloed hebben op hoe sterk bepaalde kenmerken naar voren komen, en hoeveel iemand erdoor wordt belemmerd." En daarmee komt de omgeving ineens in beeld.
Wat de polyvagaaltheorie hieraan kan toevoegen
Ik vind de polyvagaaltheorie van Stephen Porges een interessant kijkkader hierbij. Simpel gezegd stelt deze theorie dat ons zenuwstelsel voortdurend informatie verwerkt over veiligheid en dreiging. Bij voldoende ervaren veiligheid ontstaat meer ruimte voor verbinding, nieuwsgierigheid en interactie. Bij ervaren dreiging verschuift de nadruk meer richting bescherming.
Het is eerlijk om hierbij te vermelden dat de precieze neurobiologische onderbouwing van de polyvagaaltheorie wetenschappelijk omstreden is; niet alle claims van de theorie worden door onderzoek eenduidig ondersteund. Ik gebruik haar dan ook niet als bewezen verklaring voor autisme of voor specifiek gedrag, maar als "bril om naar regulatie en veiligheid te kijken" en daarin zit voor mij wel iets waardevols.
Want wanneer je gedrag niet alleen ziet als iets wat iemand "is", maar ook als iets wat een zenuwstelsel op een bepaald moment probeert te "doen", ontstaat een andere vraag: "waar probeert dit gedrag deze jongere tegen te beschermen?"
Misschien is controle niet alleen lastig gedrag, maar geeft het houvast. Misschien is terugtrekken niet alleen sociaal onvermogen, maar ook een manier om prikkels te verminderen. Misschien helpt voorspelbaarheid om spanning hanteerbaar te houden. En misschien is eindeloos analyseren soms een poging om grip te krijgen op een wereld die niet meer vanzelfsprekend veilig voelt.
Dan hoef ik dat gedrag niet meteen weg te willen krijgen. Ik wil eerst begrijpen wat het doet.
Hoogbegaafdheid maakt dat vraagstuk extra interessant
Bij hoogbegaafdheid denken we vaak eerst aan intelligentie. Maar hoogbegaafd zijn is niet hetzelfde als je talent kunnen ontwikkelen. Een jongere kan cognitief heel veel in huis hebben en toch vastlopen.
Om potentieel daadwerkelijk tot ontwikkeling te laten komen, moet je kunnen onderzoeken, experimenteren, fouten maken, uitgedaagd worden, je verwonderen, doorzetten wanneer iets niet meteen lukt. Daarvoor heb je niet alleen intelligentie nodig, je hebt ook voldoende psychologische ruimte nodig. Wanneer een groot deel van je energie wordt gebruikt om jezelf te beschermen, blijft er minder ruimte over voor ontwikkeling.
En dan kan er iets pijnlijks gebeuren: de omgeving ziet steeds minder van het oorspronkelijke talent, de jongere ervaart steeds minder dat hij ergens goed in is, en zijn zelfbeeld verandert. "Misschien kan ik het helemaal niet. Misschien ben ik niet zo slim. Waarom lukt het iedereen wel, en mij niet?"
Daarmee komen we bij een deel van hoogbegaafdheid dat ik minstens zo belangrijk vind als het cognitieve deel.
Het zijnsluik
In mijn begeleiding kijk ik daarom niet alleen naar "wat kun jij?" Ik wil ook weten: "wie ben jij?" Wat voel je? Wat vind je belangrijk? Waar krijg je energie van? Wat heb je meegemaakt? Welke kwaliteiten herken je in jezelf? En welke conclusies ben je onderweg over jezelf gaan trekken?
Dat is voor mij het zijnsluik, een begrip dat is ontwikkeld door prof. dr. Tessa Kieboom en beschreven in "Meer dan intelligent" (Kieboom & Venderickx, 2017). Waar het "denkluik" van hoogbegaafdheid gaat over intelligentie, creativiteit en motivatie, gaat het zijnsluik over de manier van voelen en zijn: onder andere een sterk rechtvaardigheidsgevoel, hooggevoeligheid, een kritische instelling en perfectionisme. Kieboom benadrukt dat deze zijnskenmerken niet met een intelligentietest te meten zijn, maar wel meebepalen hoe een hoogbegaafd kind functioneert en dat juist de starheid en het sterke rechtvaardigheidsgevoel binnen dit luik er soms toe leiden dat hoogbegaafdheid ten onrechte wordt aangezien voor autisme.
Want een jongere kan cognitief nog zoveel mogelijkheden hebben, wanneer hij zichzelf vooral is gaan ervaren als lastig, vreemd, mislukt, te veel of juist niet goed genoeg, heeft dat invloed op hoe hij zijn mogelijkheden gebruikt. Talentontwikkeling gaat daarom niet alleen over méér uitdaging bieden. Soms begint talentontwikkeling met iemand helpen zichzelf weer terug te vinden.
Dabrowski: ontwikkeling hoeft niet netjes rechtdoor te gaan
Daar sluit de theorie van positieve desintegratie van de Poolse psychiater Kazimierz Dąbrowski, oorspronkelijk beschreven in zijn boek *Positive Disintegration* (Dąbrowski, 1964), mooi op aan. Dąbrowski keek anders naar ontwikkeling dan als een rechte lijn die steeds een stapje omhoog gaat: bij hem is groei niet vanzelfsprekend voor iedereen, en verloopt ontwikkeling niet in vaste, leeftijdsgebonden stappen zoals bij bekendere ontwikkelingstheorieën. In zijn theorie kan juist een periode waarin oude overtuigingen, zekerheden en zelfbeelden uit elkaar vallen , wat hij "desintegratie" noemde , onderdeel worden van verdere psychologische ontwikkeling.
Het is goed om hierbij te vermelden dat Dąbrowski's theorie, hoe invloedrijk ook binnen het werkveld van hoogbegaafdheid, wetenschappelijk als weinig empirisch onderbouwd en soms lastig te toetsen wordt beschouwd. Ik gebruik haar dan ook niet als bewezen model, maar als denkkader dat helpt om een periode van verwarring of "vastlopen" niet meteen als iets negatiefs te zien.
Het woord desintegratie klinkt negatief, maar het hoeft niet alleen afbraak te betekenen. Wie dacht je dat je was? Wat dacht je dat je moest zijn? Wat verwachtte de omgeving van jou en klopt dat eigenlijk nog?
Voor een hoogbegaafde jongere die jarenlang hoorde dat hij zoveel kan, maar ondertussen ervaart dat steeds minder lukt, kan die botsing enorm zijn. Het oude verhaal klopt niet meer, maar het nieuwe verhaal is er nog niet. En juist in die tussenruimte is veiligheid belangrijk. Desintegratie zonder voldoende steun kan vooral voelen als vastlopen. Maar wanneer een jongere ruimte krijgt om te onderzoeken wie hij is, wat bij hem past en welke waarden en kwaliteiten werkelijk van hem zijn, kan uit die verwarring ook iets nieuws ontstaan: een steviger en authentieker zelfbeeld.
En dat zagen we gebeuren
In de begeleiding van deze jongere begonnen we niet met de vraag "hoe krijgen we zijn autistische kenmerken weg?" We gingen onderzoeken: wie ben jij, wat is belangrijk voor jou, waar liggen jouw kwaliteiten, wat heb jij nodig, wat heb je meegemaakt, en welke verhalen over jezelf zijn daardoor ontstaan?
Naarmate zijn zelfkennis en zelfwaardering groeiden, gebeurde er iets interessants: een aantal gedragingen die eerder sterk als autistische kenmerken op de voorgrond stonden, werden minder zichtbaar. Daarmee kan ik niet zeggen dat hij geen autisme heeft, dat wil ik ook helemaal niet zeggen. Wat het me wél laat zien, is dat gedrag niet losstaat van de context waarin iemand leeft. En vooral: een kenmerk hoeft niet te verdwijnen om minder belemmerend te worden.
Misschien kijken we te vaak náár de jongere
Wanneer een jongere vastloopt, zoeken we begrijpelijkerwijs naar verklaringen: hoogbegaafdheid, autisme, ADHD, faalangst, executieve functies, trauma, overprikkeling. Een goede diagnose kan enorm waardevol zijn. Het kan erkenning geven en toegang bieden tot passende ondersteuning.
Maar daarna mag er wat mij betreft nog een vraag volgen: "wat gaan wij aan de omstandigheden doen?" Want als spanning bepaalde gedragingen versterkt, kunnen we niet alleen van de jongere vragen om ermee te leren omgaan. Dan mogen we ook onderzoeken: is deze omgeving voorspelbaar genoeg? Ervaart deze jongere autonomie? Wordt hij cognitief passend uitgedaagd? Mag hij fouten maken? Voelt hij zich gezien? Is er ruimte voor herstel? Begrijpen we waarom hij controle probeert te houden, vóórdat we hem leren die controle los te laten? En bovenal: "voelt hij zich veilig genoeg om te leren?"
Van overleven naar ontwikkelen
Misschien is dat uiteindelijk wat deze jongere mij heeft laten zien. Wanneer je vooral bezig bent met overleven, beschermen en aanpassen, is het moeilijk om je volledige potentieel te ontwikkelen. Niet omdat dat potentieel verdwenen is, maar omdat er iets anders voorrang heeft gekregen.
Daarom begint talentontwikkeling voor mij niet altijd met nóg moeilijkere leerstof, studievaardigheden of het trainen van executieve functies. Soms moeten we eerst terug naar de basis: veiligheid, zelfkennis, zelfwaardering, en ruimte om te ontdekken wie je bent wanneer je niet voortdurend bezig hoeft te zijn met jezelf beschermen.
En misschien komt er dan langzaam weer ruimte, voor nieuwsgierigheid, voor leren, voor ontwikkeling, voor talent.
Daarom stel ik steeds minder vaak alleen de vraag: "Wat heeft deze jongere?" Ik wil vooral weten: "Wat heeft deze jongere nodig om zichzelf veilig genoeg te voelen om tevoorschijn te komen?"
Want misschien hoeven we niet eerst de jongere te veranderen. Misschien moeten we soms beginnen bij de wereld waarin we hem vragen zich te ontwikkelen.
Gebruikte bronnen
- Shields, G.S., Sazma, M.A., & Yonelinas, A.P. (2016). *The effects of acute stress on core executive functions: A meta-analysis and comparison with cortisol.* Neuroscience & Biobehavioral Reviews, 68, 651–668.
- Jenkinson, R., Milne, E., & Thompson, A. (2020). *The relationship between intolerance of uncertainty and anxiety in autism: A systematic literature review and meta-analysis.* Autism, 24(8), 1933–1944.
- Bird, S., Moid, L., Jones, C., & Surtees, A. (2024). *The relationships between restrictive/repetitive behaviours, intolerance of uncertainty, and anxiety in autism: A systematic review and meta-analysis.* Research in Autism Spectrum Disorders, 117, 102428.
- Porges, S.W. — polyvagaaltheorie (gebruikt als kijkkader; de neurobiologische onderbouwing ervan is wetenschappelijk omstreden en niet onomstreden bewezen).
- Dąbrowski, K. (1964). *Positive Disintegration*. Boston: Little, Brown and Company. — theorie van positieve desintegratie (invloedrijk denkkader, wetenschappelijk weinig empirisch onderbouwd).
- Kieboom, T., & Venderickx, K. (2017). *Meer dan intelligent*. — het zijnsluik als model voor de "zijnskenmerken" van hoogbegaafdheid (rechtvaardigheidsgevoel, hooggevoeligheid, kritische instelling, perfectionisme).




Opmerkingen